Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
■214
wekkend: het geheele jaar door valt er van tijd tot tijd
regen. Daar worden de bij ons inheemsche groenten en
vruchten aangekweekt, de nachten worden zelfs koel, maar
de voortdurende lentelucht verfrischt en versterkt, en verschaft
dikwerf genezing aan hem, die zyne gezondheid aan de drassige
monding eener rivier of in de vlakke kuststreek verloren heeft.
Aan de kusten valt gedurende het regensaizoen een verbazende
hoeveelheid regen, en ofschoon het klimaat er voor den
Europeaan niet bepaald ongunstig is, als de noodige voor-
zichtigheid wordt in acht genomen, loopt deze daar toch
meer gevaar, dan in het hooge binnenland.
Dat de dag het gansche jaar door ongeveer van 's morgens
6 tot 's avonds 6 uur duurt en er na aftrek der schemering
een nacht van ruim 10 uren overblijft, is het natuurlyk
gevolg der ligging onder en nabij den evenaar.
§ 163. Meer afwisseling biedt de toestand van het land
aan: de westelyke, zuidelijke en oostelyke eilanden zyn sterk
vulkanisch; men zou dezen den vuurhaard der aarde kunnen
noemen, want men telt hier meer dan 100 vulkanen, op Java
alleen een vijf-en-veertigtal; doch werkzaam zijn er op dit
eiland nog geen dertig en meer zoodanige vindt men er ook
daarbuiten waarschynlijk niet; de overigen zyn dus allen uit-
gedoofde of in rust zijnde vuurspuwende bergen, die evenwel
niet te vertrouwen zijn, want onverwacht grypt soms eene
uitbarsting plaats, die land en woud verwoest en tallooze men-
schenlevens als offers eischt; zoowel de ontzettende verwoes-
tingen van den Tambora op Soembawa in 1835 en 1836, als
de uitbarstingen in 1876 en 1877 van eenige vulkanen op Java,
met name van den Kloet, ten Z. van Soerabaia, en den Merapi,
ten Z. van Samarang, leerden dit duidelyk genoeg. Merk-
waardig is het verschijnsel dat deze vulkanen nooit lava uit-
wierpen , maar steeds heinde en ver weide, akker en bosch
onder asch begroeven.
Alle eilanden zonder uitzondering zijn bergachtig; de
meesten bestaan uit kalk- en zandsteen-gebergten met kwartsen
vermengd, op Sumatra en Borneo met graniet en soortgelijk
gesteente afgewisseld; alluviaal en vulkanisch terrein heeft
zich langs en aan den voet dier gebergten gelegerd en be-
slaat bijna de helft van de geheele oppervlakte der eilan-
den ; het hoogst verheffen de bergen zich op Java (Smeroe,