Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
■213
Alvorens deze onderdeelen te beschouwen, merken wij op
dat deze verdeeling niet strikt natuurkundig of ethnografisch
is. Het bljikt toch uit de onderzoekingen van Wallace en andere
wetenschappelgke vorschers, dat de Archipel zoowel ethnogra-
fisch als dierkundig te scheiden is in twee groote deelen ten
W. en ten O. van straat Lombok en straat Mangkasser; ter-
wijl de grens eener indeeling naar de zoo rijke flora dezer
eilanden iets oostelijl^r is te plaatsen. Voor ons doel kunnen
wij ons echter zonder eenig bezwaar bepalen tot een algemeen
overzicht.
§ 162. De geheele Archipel ligt tusschen de keerkringen
en derhalve is het klimaat overal heet, althans indien men
niet het gebergte beklimt. Langs de kusten heerscht eene vry
gelykmatige, vochtige warmte, die in de warmste enkoudste
maanden weinig afwisselt en tot 27" Celsius (-r 80" Fahr.)
stijgt, dus veel gematigder dan men zoo nabij de linie
zou verwachten. Of het droog jaargetijde dan wel de natte
moesson het warmste gedeelte des jaars uitmaakt, valt moeilijk
te beslissen, maar het spreekt van zelf dat men by helder
weder minder last van de warmte heeft dan bij bedekte lucht,
en dat de droge of goede moesson, die met geringe uitzon-
deringen van half April tot half November heerscht, ook veel
gezonder is. Gedurende dien helderen tijd brengt ook de af-
wisseling der land- en zeewinden iederen dag eenige verkoeling
aan. De natte of kwade moesson gaat dus door voor het
eigenlijk zomerseizoen; zy heerscht met voortdurende weste-
lyke winden in de overige maanden; dan regent het dage-
lijks langs de aangebouwde, volkrijke kuststreken en aan
de berghellingen, doch hooger op houdt dit geen stand,
want op eene hoogte van 2000 meter waait het geheele
jaar door de zuidoost-passaatwind, gelijk men uit den rook
der vulkanen kan opmaken. Het spreekt uit den aard der zaak,
wanneer men acht slaat op den oorsprong der moessons, dat
ten N. van de linie eene omgekeerde regeling der jaargetijden
plaats grijpt; aan Sumatra's en Bornéo's noordelijke kusten
vooral is de N^. W. moesson in ons zomerhalfjaar het seizoen,
dat regen aanbrengt.
Op de Molukkeu zijn de seizoenen of moessons zoo onregel-
matig, dat de scheepvaart er zich bezwaarlijk naar regelen kan.
In het gebergte is de lucht koel, gezond, droog, op-