Boekgegevens
Titel: Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Auteur: Kuyper, J.
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1878
Leeuwarden: Corporatieve Handelsdrukkerij
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-562
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201128
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederland, zijne provinciën en koloniën: land en volk beschreven
Vorige scan Volgende scanScanned page
145
kwartier of Kwartier van Abcoude en het Land van
Montfoort; voorts uit de Baronnie vanIJselstein
en enkele voormalige Hollandsche dorpen; zij paalt ten
noorden aan Noord-Holland en de Zuiderzee, ten oosten aan
Gelderland, ten zuiden aan diezelfde provincie en Zuid-Holland,
welk laatstgenoemd gewest haar ook ten westen begrenst.
De beide gerechtelijke Arrondissementen Utrecht en
Amersfoort bevatten de Kantons Utrecht, JJselstein, Maars-
sen en Loenen, en Amersfoort, Rhenen en Wijk bg Duurstede.
Op 25 vierk. geogr. mijl of 138000 hectare leven 176000
inwoners in 33500 woonhuizen, derhalve is de bevolking hier
dichter dan in eenig ander der reeds behandelde gewesten, doch
de beide provinciën Holland overtreffen in dit opzicht Utrecht
weder verre. Van deze bewoners zijn 62% protestantsch,
36% roomsch-katholiek, bijna 1% oud-roomsch van de bis-
schoppelijke klerezie en 1% israëlietisch; ongeveer de helft woont
in steden, en daar verscheiden dorpskommen met steden kun-
nen wedijveren, zoo is de meerderheid reeds lang in de ge-
legenheid geweest zich te beschaven en zyn de hoekige puntjes,
die men wel eens bij andere provincialen wil opmerken, ver-
dwenen ; de duurzame toevloed van nieuwe bewoners uit andere,
minder schoone gewesten maakte de Stichtenaren welwillend
gezind jegens den vreemdeling.
§ 118. Niettegenstaande de geringe uitgestrektheid bezit
Utrecht eene opmerkelijke afwisseling van bodem, die zich
ook afspiegelt in de wijze van bebouwing van den grond en in de
overige middelen van bestaan; des te krachtiger uitkomend, juist
omdat het terrein zoo beknopt is. Zandige heuvels dalen naar
het noordoosten tot de Geldersche vallei en het lage Eemland,
naar het zuiden en westen tot de rijke bouwlanden en weiden
tusschen Lek en Ouden Rijn en de breede veenplassen aan beide
zijden van de Vecht; groot is het onderscheid tusschen de
boschrijke met buitenplaatsen bezaaide heuveltoppen en de
eindelooze vlakten met tierig rundvee en wilgen-cultuur; de
zandgrond is te recht het geliefkoosd verblijf geworden van den
rentenier of den stadbewoner, die 's zomers te midden van de
harstgeuren der dennewouden een gezond verblijf opzoekt;
vroeger trokken vooral de boorden van de Vecht de Amster-
dammers tot zich, en verschillende plekjes verschaffen nog het
bewys hoe de kunst byna vergoedde wat de natuur te wenschen
10