Boekgegevens
Titel: Lagerwey's Aardrijkskunde van Nederland en zijne overzeesche bezittingen
Auteur: Lagerwey, J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1871
4e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5790
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201119
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederlandse koloniën, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lagerwey's Aardrijkskunde van Nederland en zijne overzeesche bezittingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
Oost- en West-Stellingwerf en Opsterland; uit 1 a g e venen
in de gemeenten Dantumadeel, Lemsterland, Idaarderadeel,
Schoterland en Smallingerland.
Bevolking. De bevolking bedraagt 298.722 inwoners, dus ge-
middeld 5.012 per □ geogr. mgl.
Middelen van bestaan. Landbouw en veeteelt maken de be-
zigheid van het grootste deel der bevolking uit, en de laatste nog
veel meer dan de eerste. Voor de veehouderij worden 180.000
H. A. gebruikt tegen 50.000 voor den landbouw. In de meerstre-
ken geeft de inzameling van riet en biezen veler handen werk.
De visscherij op de binnenwateren houdt een aantal menschen
bezig, terwijl de kustvisscherij in de Zuiderzee door 35 , de
schelpvisschery door 69 schepen wordt uitgeoefend. Voorts
vinden velen hun bestaan in den scheepsbouw en in de fa-
brieken. Van de laatsten verdienen opmerking: de olie- en
houtzaagmolens (84), kalkbranderijen (27), aardewerkfabrieken
(20), goud- en zilversmederijen (116), touwslagerijen (46), ci-
choreifabrieken (83). De handel dezer provincie bestaat grooten-
deels in den uitvoer van landbouwvoortbrengselen naar En-
geland. Voor den binnenlandschen handel zijn Sneek en Leeu-
warden de hoofdplaatsen; voor den buitenlandschen is Harlin-
gen de voornaamste plaats.
Wateren. Lauwerzee, zie bl. 26; de Wadden, ten N. van
Friesland; de Zuiderzee.
Meren. Friesland heeft vele en vrij uitgestrekte meren: in
het N. het Bergumermeer, in het midden het Sneekermeer,
in het Z. het Tjeuker- en Slotermeer; in het W. het Fljeuse-,
Heeger-, Makkumer- en Parregastermeer.
Rivieren. De Lauwers, zie bl. 27.
De Boorne, eerst Koningsdiep; die in het O. der provincie
ontspringt, bij Beesterzwaag bevaarbaar wordt, zich met de
Grouw vereenigt en onder den naam van Oude Wete-
ring in het Sneekermeer valt.
De Wateraar en de Houke Sloot bij Sneek.
De Ee van Leeuwarden over Dokkum naar de Lau werze e.
De Kuinder of Tjonger ontspringt op de hooge venen
bij het dorp Haule, dicht bg de Groningsche grenzen, neemt bij
Spangen de Linde op, die bij Elsloo ontstaat en valt bij
Kuinre, na de grensscheiding van Overijsel en Friesland uitge-
maakt te hebben, in de Zuiderzee.
De Rijn, de uitwatering van het Tjeukermeer, valt bij de
Lemmer in Zee.
Kanalen. Friesland heeft zoovele vaarten en kanalen, dat
bijna alle plaatsen met groote of kleine schepen te naderen zijn.
De voornaamste zijn: