Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
De eigenaar kon zijne slaven verkoopen en tuchtigen,
maar moest hun de vrijheid geven, indien hy hun een
oog of tand uitsloeg. Wie zijn eigen slaaf doodde, werd
voor genoeg gestraft gehouden wegens het geldelyk
verlies, dat hij erdoor leed; wie den slaaf van een
ander ombracht, moest er dezen de waarde van ver-
goeden.
Vóór de Babylonische gevangenschap wae in Israël
de veelwijverij meer algemeen dan later, toen de ra-
bijnen haar afrieden. De vrouw werd verkocht; zelve
kon zij geene scheiding aanvragen, maar de man kon
haar te allen tijde wegzenden, zonder dat zij aanspraak
had op onderstand. Indien er zonen waren, werden de
dochters van de erfenis uitgesloten. De vader bezat eene
uitgebreide macht: zijne zonen kon hij als lijfeigenen
verkoopen.
Volkenrechten erkenden de Israëlieten niet. Bij de
verovering van Kanaan moesten alle inwoners, ofschoon
het ook Semieten waren, uitgeroeid worden, en nog
lang daarna werden de krijgsgevangenen door hen om
het leven gebracht.
By de strafwetten gold het „oog om oog, tand om
tand." Daarbij bestond de bloedwraak. De familie van
een vermoorde was verplicht op den moordenaar waak
te nemen. Wie zijne ouders sloeg of vloekte, was des
doods schuldig. De dronkaard, dien zijne ouders niet
konden beteugelen, werd gesteenigd, omdat hij het leven
van anderen in gevaar bracht. Diezelfde straf stond op
het pleg(;n van afgoderij cm het opzettelijk verwaarloo-
zen van de voorschriften van den eeredienst, alsmede
op het ijdellijk gebruiken van Jahwe's naam.
Merkwaardig zijn de vermaningen tot menschlievend-
heid: „Doet geen vreemdeling overlast; beleedigt geene
weduwen en weezen; neemt geene woekerwinst; wan-
neer gy het kleed van een behoeftige tot pand neemt.