Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
2G
straffen in den blinde stort hen in 't verderf. De koning
moet dag en nacht strijden om zijne lusten te bedwin-
gen ; slechts wie meester is over zijne hartstochten, kan
een volk aan zijn gezag onderwerpen. Om orde in zijne
staten te kunnen bewaren, moet de koning over twee,
drie, vyf of zelfs honderd dorpen, naar hunne belang-
rijkheid, eene afdeeling krygslieden onder een vertrouwd
aanvoerder ter handhaving van de veiligheid aanstellen.
Hebben er in eene gemeente ongeregeldheden, zooals
roof, plaats, die het hoofd der gemeente niet kan onder-
drukken, dan geeft hij er kennis van aan het hoofd
over tien gemeenten, deze aan het hoofd over twintig,
deze aan het hoofd over honderd en deze aan het hoofd
over duizend gemeenten. De rijst, het brandhout en
wat de bewoners meer verplicht zijn aan den koning
op te brengen, wordt ontvangen door het gemeente-
hoofd, die er zijn inkomen uit trekt. Het hoofd over
tien gemeenten moet tot inkomen de opbrengst genie-
ten van een stuk land, dat door twee ploegen, ieder
met zes ossen bespannen, bewerkt kan worden; het
hoofd over twintig gemeenten ontvangt de opbrengst
van tien zulke stukken lands, enz. Verder moet de
koning door vertrouwde hooggeplaatste personen toe-
zicht laten houden op al de ambtenaren, want daar
dezen niet zelden oneerlijk zijn, is het zijn plicht het
volk tegen hen in bescherming te nemen. De koning
moet menschen van de laagste klassen, die van een
weinig winstgevenden handel leven, slechis eene matige
jaarlyksche belasting doen betalen. Handwerkslieden
en Soedra's, die slechts met moeite hun brood verdie-
nen, moet hij niet meer den één dag in de maand voor
zich laten werken.
Zoodra de koning bij het aanbreken van den dag is
opgestaan, moet hij zijn eerbied betuigen aan de Brah-
manen, die bedreven zijn in de kennis van de heilige