Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
begonnen zy porselein te vervaardigen, nog eene eeuw
later werd de wynstok by hen ingevoerd, en omstreeks
het begin onzer tijdrekening gingen zij de thee als
volksdrank gebruiken. Omstreeks anderhalve eeuw v. C.
vonden zij het papier uit, en ongeveer drie eeuwen
n. C. den Oostindischen inkt. Veel vi'oeger dan de
Westersche volken vonden zij het buski-uid uit, dat zij
evenwel slechts voor vuurwerk gebruikten, alsmede de
boekdrukkunst, die echter, omdat zij geen letterschrift
hebben, bij hen op een lagen trap bleef staan. Ruim
eene eeuw v. C. wisten zij, dat de magneetnaald het
Noorden aanwyst, doch zij pasten die kennis niet toe
op hunne scheepvaart naar Japan, de Pliilippijnen,
Malakka en Java. Bij het rekenen, waai-in zy zeer
bedreven waren, gebruikten zij het tientallig stelsel en
het rekenraam. Gemunt geld kenden zy geruimen tyd
niet, maar reeds sedert eene eeuw v. C. was by hen
papieren geld in omloop.
Terwyl koemelk, boter en kaas bij de Chineezen nog
niet in gebruik zyn, bereidden zij reeds in overoude
tijden een bedwelmenden drank, uit rijst of gierst ge-
stookt, en bevatten lumne oudste geschriften reeds
klachten over het misbruik, dat ei-van gemaakt werd.
De vlecht of staart, waaraan men de Chhaeezen kent,
dagteekent van het jaar 1644, toen de Mandsjoes hen
onderwierpen, maar lumne taal zeden en gewoonten
overnamen.
Reeds in overoude tijden bestond de godsdienst der
Chineezen in de vereering van hemelsche, aardsche en
menschelyke geesten. De opperste geest was Thian,
de Hemel, die met de Aarde alles had voortgebracht.
Zijn wil was het noodlot; hij beloonde en strafte. Andere
hemelsche geesten waren die van de zon, de maan en
de sterren. Tot de aardsche geesten behoorden die van
stroomen en bergen. Ofschoon zij geacht werden veelal