Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
241
terhand van Tyr afbeet, leefden zij langen tijd geluk-
kig als in eene gouden eeuw. Zy waren echter niet
beveiligd tegen den boozen Loki, door wiens listige
streken de zachtaardige, welwillende aze Balder het
leven verloor. De azen ketenden daarop Loki zoodanig
aan eene rots, dat het- gif eener boven hem opgehan-
gen adder hem voortdurend in 't gezicht moest druipen.
In dezen vreeselyken toestand staat zyne vrouw Sigyn
hem met onwankelbare trouw ter zijde. Onvermoeid
houdt zij, om het gif op te vangen, eene schaal vast,
en slechts als deze gevuld is, en zy haar uitgiet, valt
het pijnigende gif van de adder op Loki's gelaat. De
smarten, die hij daarbij ondervindt, doen hem zoo hard
aan zijne ketenen rukken, dat de gansche aarde ervan
schudt, en dit noemen de menschen eene aardbeving.
Hij wordt eerst weder bevrijd in den tijd der goden-
schemering, den ondergang der wereld, die voorafge-
gaan zal worden door eene diepe verdorvenheid der
menschen. Dan heeft er een geweldige strijd plaats van
de azen tegen de reuzen, Loki, de Midgardslang en
Fenris. Allen komen erbij om, en de Avereld wordt door
vuur verteerd. Ook de menschen gaan erbij te gronde
en hunne zielen komen in het nastrand (lijkenstrand),
waar de boozen lijden, of in Gimil (den hemel), waar
de goeden gelukkig zijn. Uit de asch ontstaat eene
nieuwe, verjongde aarde; ook de azen herleven, en uit
een menschenpaar, dat aan de verwoesting ontkomen
is, ontspruit een nieuw menschengeslacht, dat de aarde
zal bewonen.
De Gei-manen vereerden hunne goden op eenigszins
geheimzinnige wijze in duistere wouden, bij bronnen en
watervallen en op bergtoppen. Reeds hun gemis aan
kunstvaardigheid verhinderde hen in 't algemeen beel-
den van hunne goden te maken. Toch lavamen er
enkele voor, zooals de Irminzuil der Saksers. Aan