Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
234
het recht eene aanklacht te doen, tenzij een vrije voor
hen voor den rechter optrad, want de aanklacht, door
een onvrije tegen zijn heer ingebracht, mocht niet ge-
loofd worden. Door ijver en voorspoed kon een hoorige
er somtijds in slagen, zooveel bijeen te brengen, dat hij
in staat was, zijne vrijheid te koopen, doch eerst zijne
kleinkinderen kwamen in het volle bezit van de rech-
ten der vrijen. Slechts vrijen hadden het recht wapenen
te dragen, in de volksvergadering te spreken en te
stemmen, aanklager, getuige en rechter te zijn en het
priesterambt te bekleeden.
In de vroegste tijden waren de vryen uitsluitend
adaUngen (edelen), die een volgens het recht van eerst-
geboorte erfelijk stuk gronds (alod) bezaten. Uit vrij
geworden hoorigen kwam de stand der gemeene vrijen
voort, uit welke later de lagere adel, gelijk uit de ada-
lingen de hoogere, en uit de getrouwe volgelingen van
een aanvoerder de krijgsadel ontstond. De bezitter van
een alod was het hoofd van zijn geslacht. Zijne manne-
lijke en vrouwelijke bloedverwanten (zwaard- en spille-
magen) waren hem gehoorzaamheid verschuldigd (ston-
den onder zijn ban). Verscheidene aan elkander gren-
zende alodiën werden met onderling goedvinden tot
eene mark, honscJiap of buurtschap vereenigd, onder
welke binnen bepaalde grenzen gelegen landstreken
werden verstaan, waarvan een gedeelte het gemeen-
schappelijk eigendom {meent) was der markgenooten.
Gemeenschappelijke belangen deden een aantal marken
tot eene gouw samensmelten, over welker belangen door
de vrijen, die ertoe behoorden, in eene vergadering
onder den blooten hemel werd beraadslaagd en beslist.
Gewoonlijk kwamen de vrijen niet gelyktijdig op de
vergaderplaats, en duurde het soms twee of drie dagen,
eer de bijeengekomen schare zich talrijk genoeg achtte
om de vergadering te openen. Was dit het geval, dan