Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
van brons te gieten daar uit andere streken is overge-
bracht. Tijdens de bronsperiode kwam ook het goud,
dat insgelijks gedegen wordt aangetroffen, in gebruik.
De kunst om ijzer te bewerken, die tot in onze da-
gen zulk eene gevpichtige rol vervult by de ontwikke-
ling der menschheid, overvleugelde de bronsperiode.
De beschaving begon nu reeds aanmerkelijk te vorde-
ren, want te gelijk met yzer, ging men gebruik maken
van glas, zilver, gemunt geld, dien krachtigen hefboom
van den handel, en van het letterschrift, dat den weg
opende tot de meest grootsche ontwilvkeling van den
menschelijken geest, de wetenschap.
Eeeds tijdens de steen-, maar nog meer tijdens de
bronsperiode, was de lust voor schoone kunsten ont-
staan, hetgeen blijkt uit de figuren van rechte en kromme
lijnen, waarmede aarden potten, maar vooral metalen
voorwerpen versierd waren.
Met de invoering van het ijzer deed de kunst eene
groote schrede voorwaarts, daar men toen begon plan-
ten, dieren en menschen af te beelden.
riet eerste onderzoek naar de vier genoemde perioden
heeft men sedert 1850 op sommige punten van de
kusten van Denemarken gedaan. Men vond daar groote
hoopen van mosselschelpen (somtijds 300 M. lang, 30
M. breed en 2 M. hoog) vermengd met dierenbeende-
ren, lompe steenen werktuigen, ruwe aarden potten en
overblijfselen van verbrand hout. Spoedig bleek het,
dat men hier te doen had met afval van spijzen of
van de keuken (vandaar de Deensche benaming Kiök-
kenmöddmf/), afkomstig van menschen, die van mosse-
len en vleesch leefden en de ledige schalen en uitge-
zogen beenderen ter zijde Avierpen.
In den winter van 1853 werden in het meer Zürich,
bij buitengewoon lagen waterstand, de overblijfselen
eener paalwoning ontdekt. Sedert heeft men er in alle