Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
218
slag deed, in plaats van beschermers van eens anders
eigendom, liever zelve grondbezitters te worden, zette
den keizer at', wien hij wegens zijne onbeduidendheid
het leven liet, en nam den titel van koning aan. Het
Oostromeinsche keizeiTijk bleef nog byna duizend jaar
in wezen.
XII. Beschaving, Huiselijk' en Maatschappelijk Leven, Kunsten
en Wetenschappen der Romeinen.
Dat het Romeinsche rijk zich ondanks zijne verove-
ringspolitiek meer dan twaalf eeuwen staande hield, is
toe te schrijven aan het hoogere standpunt, waarop de
Romeinen, met betrekking tot bijna al de door hen
overwonnen volken, in beschaving stonden. Hunne ver-
draagzaamheid op het punt van godsdienst en hun prac-
tische zin maakten het juk, dat zij anderen oplegden,
veelal draaglijk. Overal, waar de krijgslieden niet te
velde waren, werden zij gebezigd ter bevordering van
de stoffelijke welvaart van de volken, die zij in be-
dwang moesten houden, door het aanleggen van water-
leidingen, heirbanen, kanalen, dijken, bruggen, havens,
riolen, enz., en zelfs het overplanten van gewassen van
de eene landstreek in de andere. Bovendien had er
door de legers eene uitwisseling plaats tusschen Ooster-
sche en "Westersche beschaving, want, terwijl Perzen
en Egyptenaren aan den Rijn dienden, lagen er Gal-
liërs in Perzië en Egypte.
Daarentegen bevatte het rijk ook kiemen van een
onvermijdelijken ondergang: de slavernij en de buiten-
sporige opeenhooping van rijkdommen; zoodat tegen-
over enkelen, die zich in de grootst denkbare weelde
konden baden, duizenden broodsgebrek hadden. Het
aantal slaven was ontzettend, hun lot somtijds vreeselijk.
Terwijl Cicero's slaven hem wilden verdedigen, toen