Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
patriciërs behoorden, maakten en verkregen boven an-
deren aanspraak op de aanzienlijkste staatsbetrekkingen
en waren in het uitsluitend bezit der staatslanderijen.
Dit had eene familieregeering tengevolge, die menig-
maal onbekwame personen van hoogen stand tot de
gewichtigste betrekkingen wist te doen benoemen.
De ambtenaren, die naar de provinciën werden ge-
zonden, beschouwden hunne betrekking in de eerste
plaats als een middel om zich door afpersingen te ver-
ryken, en hierin werden zij nagevolgd door de ridders,
wier beperkt aantal van vroeger vermeerderd was met
allen, die een bepaald inkomen bezaten. Daar zij niet
meer tot den krijgsdienst verplicht waren, dewijl men
veelal manschappen der bondgenooten tot ruiterij was
gaan bezigen, werden velen hunner jnihlicüni, pachters
van de belastingen in de wingewesten. Overal begon-
nen zich weelde en verkwisting met hare verderfelijke
gevolgen te vertoonen. De afstand tusschen rijken en
armen werd ontzettend groot. Het aantal kleine grond-
bezitters versmolt bijna geheel, en daardoor vermeer-
derde in Rome de menigte van het broodelooze plebs,
dat zich liet bedeelen en voor geld volgens gegeven
last in de vergaderingen stemde. Daarentegen werd
sommiger grondbezit zoo uitgebreid, dat de volkstri-
buun L. Marius Philippus, die in 104 v. C. eene ak-
kerwet voorstelde, beweerde, dat er in geheel Italië
geen 2000 grondbezitters waren. Hier kwam nog bij,
dat de grondbezitters hunne akkers door slaven, die
als krijgsgevangenen of door aankoop verkregen waren,
lieten bebouwen, omdat dezen geen ki-ijgsdienst behoef-
den te verrichten, zoodat er geene huurboeren waren.
De behoefte aan slaven werd zoo groot, dat aanzien-
lijke landbouwers, veefokkers en fabrikanten van 2000
tot 4000 slaven bezaten. By de toenemende weelde
namen de Romeinen ook slaven en slavinnen in de