Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
niets, of een betrekkelijk gering aandeel. Dit maakte
de Latijnen ontevi-eden; zij eiscliten met de Romeinen
op gelijken voet te staan, en toen die eiscb van de
hand werd gewezen, brak in 341 v. C. do groote La-
tijnsche oorlog uit, die drie jaren duurde. Ofschoon de
Latijnen met groote da^^perheid streden, moesten zij
voor de Romeinen onderdoen, want daar de Latijnsche
steden onderling een slecht georganiseerd bondgenoot-
schap vormden, gelukte het hunnen vijanden, verdeeld-
heid onder hen te brengen, waardoor zij bezweken. De
Romeinen maakten van hunne overwinning een voor
dien tyd zeer gematigd gebruik. Een paar steden ble-
ven zelfstandige staten, ofschoon zij met Rome een eeu-
wig verbond van ouderlingen bystand moesten sluiten.
Do overige Latijnen kregen een beperkt Romeinsch
burgerrecht, en smolten daardoor met de Romeinen samen.
Een paar jaren vóór den aanvang van dezen krijg,
waren de Romeinen met de Samnieten in een oorlog
geraakt, die met twee tusschenpoozen ruim eene halve
eeuw (343—290) duurde. Ook dit talrijke, krachtige
volk miste een vasten band, die de verschillende deelen
tot eene stevige eenheid verbond. Nochtans werd de
oorlog met afwisselend geluk gevoerd. In 321 omsin-
gelde de bekwame Samnietische veldheer G. Pontius de
Romeinen in de bergpassen van Caudium. Ofschoon het
in zijne macht stond hen te verdelgen, sloot hij vrede
met de consuls, die nu met het leger konden aftrekken,
en slechts 600 ridders als gijzelaars behoefden achter
te laten. Doch in de veronderstelling, dat de senaat den
gesloten vrede wel zou goedkeuren, schonk Pontius
hun, onvoorzichtig genoeg, de vrijheid, nadat hij hen,
volgens de gewoonte dier tijden, als overwonnelingen,
onder het juk (twee in den grond gestoken lansen, van
boven door eene derde verbonden) had doen doorgaan.
De overeenkomst werd echter door den senaat niet