Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
Zes jaren later (390 v. C.) werd Rome aan den rand
des verderfs gebracht. Keltische volksstammen waren
uit Gallië opgebroken en zegevierend in Italië gevallen.
Een dier stammen, de Senönische, drong door Etrurië
naar Rome. Aan het riviertje de AllTa, slechts een paar
mijlen van deze stad verwijderd, zochten de Romeinen
hen tegen te houden, doch hun leger werd volkomen
geslagen. Schrik en ontsteltenis verlamden allen tegen-
stand: alles vluchtte. Nu trokken de Galliërs Rome
binnen, plunderden het, en staken het daarna in brand.
Alleen het capitool bleef gespaard door den heldenmoed
van M. Manlius. Nadat de Galliërs waren afgetrokken,
keerden de Romeinen op raad van Camillus langzamer-
hand weder naar de Tiberstad terug en herbouwden
haar. Weldra drongen de plebejers weder aan op tege-
moetkoming aan hunne oude grieven, doch de patriciërs
waren zoo ijverzuchtig op hunne voorrechten, dat zij
hun standgenoot Manlius, den redder van het capitool,
die verlangde, dat er eene akkerverdeeling ten
gunste der plebejers zou plaats hebben, en die gezworen
had, niet te zullen dulden, dat er een Romein wegens
schulden als slaaf verkocht zou worden, zoo lang hij
een voet gronds bezat, ter dood veroordeelden op de
aanklacht, dat hij naar de koninklyke waardigheid
sti-eefde, waarop hij van de Tarpéjische rots werd ge-
worpen (384 V. C.).
Eindelyk wist de volkstribuun G. Licïnius Stolo
(367 v. C.) drie gewichtige wetten tot stand te brengen.
De eerste bepaalde, dat de door schuldenaars betaalde
interest in mindering van het verschuldigde kapitaal
zou worden gerekend; de tweede, dat niemand meer
dan 500 morgen van de staatslanderijen in gebruik
mocht hebben; de dei'de, dat de waardigheid van krijgs-
tribuun met consulaire macht afgeschaft, en die van
consul hersteld zou worden, doch onder verplichting.