Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
derhoud te kunnen voorzien, en geraakten daardoor
geheel in de macht hunner schuldeischers, wegens het
gestrenge sclmldrecht. De schuldeischer mocht zijn
schuldenaar, die niet kon of niet wilde betalen, in
boeien laten slaan en in zyn huis als slaaf laten arbeiden.
Was door dien arbeid de schuld binnen zestig dagen
niet vereifend, zoo moest hij hem vrijlaten, indien hij
hem niet^ doodde of als slaaf buiten het gebied van Rome
verkocht. Had een schuldenaar verscheidene schuld-
eischers, dan hadden dezen de bevoegdheid hem te
dooden en zijn lichaam te verdeelen.
Het lijden der plebejers nam voortdurend toe, terwijl
de patriciërs, die te midden van zulke onmenschelijke
toestanden waren opgegroeid, niet tot het inzicht kwa-
men, dat de plebejers aanspraak hadden op meer rechten.
In de oudste tijden was de Romein herder, later land-
bouwer. Bij voorkeur woonde hij op 't land, waar hij
zijne slaven en cliënten zag arbeiden. Slechts als bezig-
heden, voornamelijk staatszaken, zijne tegenwoordigheid
vereischten, begaf hij zich naar de stad. Toen hij later
door de toenemende werkzaamheden van den senaat of
ter vervulling van andere staatkundige plichten genood-
zaakt was in de stad te gaan wonen, zocht hij toch,
zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbood, verpoo-
zing op zijn buitenverblijf (villa).
Het Romeinsche huis bestond uit eene vierhoekige
zaal (atrium), om welke de slaap- en voorraadkamers
gelegen waren, en die haar licht ontving door eene
groote vierkante opening in het platte dak. Die opening
gaf toegang tot den regen, welke opgevangen werd door
een daaronder in den vloer aangebrachten bak, en ver-
leende tevens een uitweg aan den rook, die van den
haard opsteeg. Het atrium waar gekookt, gegeten en
gesponnen werd, was het tooneel van het huiselijk leven.