Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
haalde, veranderde de viersnarige cither in eene zeven-
snarige, om beter den zang te kunnen begeleiden. Als
het mannelijkste der snaarinstrumenten werd do lier
beschouwd, die zich door hare schild])advoi'mige ge-
daante, haar dieper klankbord en minder gekromden
vorm van de cither onderscheidde. Op hem, die zich
als virtuoos voor zijn spel liet betalen, werd even laag
neergezien als op een handwerksman.
De landbouw stond bij de Grieken in hoog aan-
zien. „Het beste volk," zeide Aristoteles, „is een land-
bouwend." Intusschen werd de grond — en Platon en
Aristoteles keurden dit goed — bijna in geheel Grie-
kenland door slaven bewerkt, én enkele landstreken,
b. V. het gebied van Kirrha, moesten braak liggen,
omdat zij vervloekt waren. "Wie op zulk land iets
plantte, was des doods schuldig.
Bij de volksverhuizing hadden de veroveraars zich
de beste stukken lands toegeëigend en het uitoefenen
van handwerken aan slaven en geringen overgelaten.
Toen later de aristocratie door de democratie werd
verdrongen, werd het overeenkomstig de waardigheid
eens burgers geacht, zich hoofdzakelijk met staatsaan-
gelegenheden bezig te houden. Dewijl bovendien iemand,
die met handenarbeid zijn brood moest verdienen, niet
in staat Avas genoegzamen tijd aan de gymnastiek te
Avijden, Averd op het uitoefenen A'an een handwerk laag
neergezien. Aan Sokrates is de uitspraak in den mond
gelegd: „Werkeloosheid is eene zuster der vrijheid."
Volgens Demostliënes kon iemand, die voortdurend met
geringen en verachtelijken arbeid bezig Avas, geene
edele, tot grootsche daden dringende gezindheid A-er-
krijgen. De Avijsgeer Antisthënes hoorde A^an iemand,
die een groot fluitspeler Avas, en leidde daaruit onmid-
dellijk af, dat hij dan ook A'an geringen stand moest
zijn. Daalde iemand al niet in de openbare meening