Boekgegevens
Titel: Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1886
5e dr
Opmerking: I: De Oudheid. II: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5487
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201029
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Leerboek der algemeene geschiedenis voor eenigszins gevorderden
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
Ethica (zedenkunde) leert hij, dat het beneden de
waardigheid van den mensch is, slechts een planten- of
dierenleven te leiden; dat de mensch als redelijk wezen
zich die deugden moet eigen maken, welke schoonheid
tot doel en gematigdheid tot kenmerk hebben, en dat
iedere slechte handeling tot de vorming eener slechte
gewoonte bijdraagt.
Van groote beteekenis voor de Grieken was de
schouwburg. Te Athene had aanvankelijk ieder
vrijen toegang tot de voorstellingen, maar dewijl de
toeloop zoo groot werd, dat er niet zelden gedrang en
gevecht ontstond om eene plaats te krijgen, bepaalde
de staat, dat bij iedere voorstelling voor elke plaats
twee obolen (15 cents) moest worden betaald aan den
pachter. Perikles bewerkte, dat deze entrée van staats-
wege werd verstrekt aan alle behoeftigen, die het ver-
langden. Later namen ook de gegoeden ze aan. Het
tooneel vervulde bij de Grieken in vele opzichten de
roeping onzer pers. Alles, wat de algemeene opmerk-
zaamheid trok, zoowel personen als zaken, moest op
het tooneel voorgesteld en beoordeeld worden. De
meest geliefde volksleider, zelfs op het toppimt zijner
macht, kon dit lot niet ontgaan; ja, het Atheensche
volk schepte er behagen in, zich op het tooneel ver-
persoonlykt te zien en om zich zelf te lachen: daarvoor
juichte het den dichter toe. De vi'ijheid van het tooneel
was zóó bij het volk ingeworteld, dat zelfs de 30 ti-
rannen zich op het tooneel moesten laten bespotten, en
niet verder durfden gaan dan den dichter te berispen,
omdat hij inheemsche instellmgen ten aanhooren van
vi'eemden, de Spartanen, die toen in Athene waren,
belachelijk had voorgesteld: over welke berisping de
dichter, na het vertrek der vreemdelingen, bitter en
ongestraft wraak nam. Men werd echter van dien tijd
af voorzichtiger, en in plaats van bespotting met naam