Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
gaan, en wij zullen u de brieven zenden, nadat wij
ze zullen hebben gelezen 3). Ga naar de school en
leer 4] met vlijt 5). De koopman zond ^^C) hem de
koflij terug, die hij gekocht had. Ofschoon hij
mijn gedrag veroordeelde, gaf (C) hij mij eenen
goeden raad. Wij zullen steeds 6) onze ouders
beminnen, en wij zullen hen eeren. Ingeval gij
hen dreigt, zullen zij het geld zenden, dal gij hun
gevraagd hebt. Uwe vrienden gaan naar Utrecht ;
zult gij niet uiet hen gaan?
1) rencontrer. 2) à. 3) lues. 4) étudier. 5) avec zèle.
6) toujours.
4.
Ilij zou zijn werk reeds geëindigd hebben, als hij
vroeger begonnen was 1). Zouden wij veel meezen
en leeuwerikken 2) vangen? Laten wij ons werk
eindigen, en laten wij deze brieven op de post 3)
brengen. Ofschoon wij niet in onze ondernemingen
slaagden, vergalen (C) wij geenszins onze piigten.
Kies nooit kwade 4) gezelschappen 5) ; want men
zou uw gedrag veroordeelen, en gij zoudt uwen tijd
verwaarloozeu. Wij zullen hem hier roepen, eer
dal hij naar uwen vriend of naar den mijnen ga. De
boeren zaaijen in de lente 6), en zij oogsten 7) iu
den herfst 8). De kinderen gebruiken hunnen tijd
wel 9).
1) avait. 2) alouette, f. 3) à la poste. 4) mauvais. 5) com-
pagnie , f. G) au printemps. 7 ) moissonner. 8) ù l'automne.
9) bien.