Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
subjonctif.
présent.
Afin que je sois,
Bien que tu sois.
Sans quil soit.
Avant que nous soyons,
Quoique vous soyez.
Supposé qu ils soient,
imparfait.
A moins je ne fusse,
De peur que tu ne fusses,
De crainte quil ne fût.
Quoique 7ious fussions,
Soit que vous fussiez,
Avant quils fussent^
parfait.
Quoique j'aie été.
Sans que tu aies été,
Afin qu'il ait été,
De peur que nous n ayons
été.
A moins que vous n'ayez
été.
De crainte qu'ils niaient
été,
plus-que-parfait.
bijvoegende wijs.
tegenwoordige tud.
Opdat ik zij.
Alhoewel gij zijt.
Zonder dat hij zij.
Voor dat wij zijn.
Ofschoon gij zijt.
Verondersteld dat zij zijn.
onvolm. verl. tud.
Ten zij ik ware.
Uit vrees dat gij wäret.
Uit vrees dat hij ware.
Ofschoon wij waren.
Het zij dal gij wäret.
Eer dat zij waren,
volmaakt verl. tijd,
Ofschoon ik geweest zij.
Zonder dat gij geweest zijt.
Opdat hij geweest zij.
Uit vrees dat wij geweest
zijn.
Ten zij gij geweest zijt.
Uit vrees dat zij geweest
zijn.
meer dan volm. verl. tud.
Afin que j^eusse été. Opdat ik geweest ware»
Pourvu que tu eusses été, Mits gij geweest wäret.