Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
i^arfarr ante«iebk.
VROKGER mm. VE«L. TIJD.
Après que feus ité.
Quand tu eus été.
Aussitôt qu'il eut été;
Dès que nous eûmes été ;
Apres que vous eûtes été.
Aussitôt quils eurent été,
WB. Dezen tijd gebruikt
Nadat ik was geweest.
Toen gij waart gewees4.
Zoodra hij was geweest.
Zoodra wij waren geweest.
Nadat gij waart geweeste
Zoodra zij waren geweest.
behalve in
Biei) dus,
andere gcvallen, die
na de foegwoorden :
Quand^
Aussitôt que.
Dés que,
Après que,
FUTUR.
Je serai.
Tu seras.
Il ser^,
Nous serons.
Vous serez ,
Us seront, .j,
FUTUR COMPOSÉ,
Taurai été.
Tu auras été.
Il aura été,
JSous aurons été.
Vous aurez été.
Ils auront été.
gij nader leeren zult, meestal
Toen.
Zoodra.
Zoodra.
Nadat.
TOEKOMENDE TIJD.
Ik zal zijn.
Gij zult zijti.
Hij zal zijn.
Wij zullen zijn.
Gij zult zijn.
Zij zullen zijn.
ZAMENGEST. TOEK. TtJD.'
Ik zal geweest zijn.
Gij zult geweest zijn.
Hij zal geweest zijn.
Wij zullen geweest zijn.
Gij zult geweest zijn.
Zij zullen geweest zijn.