Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
Nous étions^
Vous ëtiez.
Us étaient,
PASSÉ DÉFINI,
Je fus hier.
Tu fus avant-hier,
Il fut la semaine passée,
Nous fûmes Vannée passée.
Vous fiites alors,
Ils furent hier,
NB. >Ien gebruikt dus
geheel verloopen is.
Wij warea.
Gij waart.
Zij waren.
BEPAALD VERLEDEN TIJD.
Ik was gisteren.
Gij waart eergisteren.*
Hij was verledene week.
Wij waren verleden jaar.
Gij waart toen.
Zij waren gisteren.
dien tijd als de handeling
PASSE INDEFINI.
fai été.
Tu as été,
Il a été.
Nous avons été,
Vous avez été.
Ils ont été.
ONBEP. VERL. TIJD.
Ik ben geweest.
Gij zijt geweest.
Hij is geweest.
Wij zijn geweest.
Gij zijt geweest.
Zij zijn geweest.
I\B. Zegt dus nooit; je suis élé, enz.
PLUS-QUE-PARFAIT.
J'avais été ^
Tu avais été ^
Il avait été.
Nous avions élé,
Vous aviez été ^
Ils avaient été,
MEER DAN VOLM. VERL. TIJD.
Ik was geweest.
Gij waart geweest.
Hij was geweest.
Wij waren geweest.
Gij waart geweest.
Zij waren geweest.