Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
IMPARFAIT.
Soit que f eusse,
Supposé que lu eusses^
Afin qu'il eût,
De peur que nous n eus-
sions ,
De crainte que vous n eus-
siez ,
Quoiqu'ils eussent^
parfait.
En cas que faie eu,
Avant que tu aies eu.
Sans qu'il ait eu^
Pourvu que nous ayons eu,
Supposé que vous ayez eu,
Bien qu'ils aient eu.
PLUS-QUE-PARFAIT.
Quoique f eusse eu ,
En cas que tu eusses eu.
Soit qu il eût eu.
De peur que nous n'eus-
sions eu.
De crainte que vous n eus-
siez eu,
A moins qu'ils n eussent
eu.
ONVOLM. VERL. TIJD.
Het zij ik hadde.
Verondersteld dat gij had-
det.
Opdat hij hadde.
Uit vrees dat wij hadden.
Uit vrees dat gij haddet.
Ofschoon zij hadden.
VOLMAAKT VERL. TIJD.
Id geval ik gehad hebhe.
Voordat gij gehad hebbet.
Zonder dat hij gehad hebbe-
Mits wij gehad hebben.
Verondersteld dat gij ge-
had hebbet.
Alhoewel zij gehad hebben.
IttEER DAN VOLM. TIJD.
Ofschoon ik gehad hadde.
Ingeval gij gehad haddet.
Het zij hij gehad hadde.
Uit vrees dat wij gehad
hadden.
Uit vrees dat gij gehad
haddet.
Ten zij zij gehad hadden.