Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
Ep zijn twee werkwoorden, die men hulpwerk"
woorden (verl>es auxiliaires) noemt, en die dienen
om andere werkwoorden te helpen vervoegen. Deze
zijn de werkwoorden avoir, hebben, en être ^ zijn.
Ziet hier hunne vervoeging, die gij fiks van builen
moet leeren.
Vervoeging; v«in het hiilpwei* kwoord tivotp,
{Conjugaison du verbe auxiliaire avoir.)
Atmr,
INFINITIF.
PRÉSENT.
PAllTïCIPE ACTIF.
Ayant,
Eu.
PARTICIPE PASSIF.
INDICATIF.
PRÉSENT.
J'ai,
Tu as.
Il a.
Nous avons.
Vous avez ,
Ils ont,
ONBEPAALDE WIJS.
TEGENWOORDIGE TUD.
Hebben.
BEDRIJVEND DEELWOOUD^
Hebbende.
LIJDEND DEELWOORD.
Gehad.
AANTOONENDE WIJS.
TEGENWOOatUGE TUU.
Ik heb.
Gij hebt.
Hij heeft.
Wij hebben.
Gij hebt.
Zij hebben.