Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
25
Ik geef het geld niet 3) aan uwea vriend, maar aan
den mijnen, aan den zijnen en aan den hunnen. Wij
spreken niet 4) van dien boomgaard, maar van den
uwen en van den onzen. Hij bemint 5) mij , en ik
bemin hem.
1) voisin, iu. 2) Voyez-vous. 3) Ik geef niei: je ne doime
pas. 4) Nous ne parions pas. 5) II aime.
5.
Ziet gij ons schaap en het zijne? Ziet gij ons?
Ziet gij uwe rozen en de hunnen? Ziel gij hem?
Ziet gij mijnen spiegel en den haren? Ziet gij haar?
Ziet gij liet binnenste van ons huis of van het zijne?
Ziet gij hen? Ziet gij het uitwendige van die kerk
of van de onze? Ziet gij mij? Geeft gij 1) mij uw
pennecnes en het zijne? Geeft gij hem uw geld en
het mijne? Geeft gij hun uwen tabak en den onzen?
Geeft gij ons uw grifje en het hare ? Ik geef niets 2).
1) Donnez-vous. 2) Je ne donne rien.
6.
Die hoed is beter dan de zijne; maar deze laarzen
zijn niet zoo goed als de uwen. Uw jasje en zijn
vest zijn nieuw; maar mijne kousen en de zijnen zijn
oud. Die pen is slapper dan de onze, en dit schrift
is fraaijer dan het mijne. Ik leen u zijne vogelkooi
en de mijne. Hier is zijn vogel en de mijne. Ik
geef haar uw boek en het mijne, mijne lei en de
uwe. Ik geef hem dezen rolling en den onzen, die
linten en de hunnen. Waar is mijne nicht en de
uwe, zijne zuster en de mijne, uw broeder en de
hunne ?
3*