Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
Spreekt gij van ons of van hen? Hier zijn 2) brie-
ven voor hem, voor ons en voor de tante onzes
vriends. Roepl 3) gij ons? Roept gij haar? Roept
gij hen? Roept gij mij? Ziet 4) hij mij? Ziet hij
u? Ziet hij hem? Ziet hij haar? Ziet hij ons?
Ziet hij hen? Ik hoor 5) u. Ik hoor hem. Ik hoor
hen. Hij geeft 6) mij de grootste appelen uit 7) den
tuin. Hij geeft haar de schoonste zijde voor eenen
japon.
1) Qui est-ce qui m'appelle? 2) Voici. 3) appelez,
4) voyez. 5) entends. 6) donne. 7) de.
6.
Ik geef 1) hem eene mooije bloem en zij geeft 1)
mij rijpe kersen. Wij leenen 2) haar de zilveren
lepels van onze voogdes, en gij leent 3) hem goede
penseelen voor die teekeningen. Gij waart gisteren
in de kerk ; maar waar was de broeder van uwen
geneesheer 4)? Hij sprak 5) van hen; maar gij
spraakt 6) van de goede hoedanigheden uws broe-
ders. De naarstigsle leerling dezer school was met
mij in den tuin uwer tante. De Maas is eene der
grootste rivieren van ons land, en de Mont-Blanc is
de hoogste berg van Europa.
1) donne. 2) prètons. 3) prêlez. 4) médecin,
5) parlait. 6) parliez.
7.
Vergeeft gij 1) hem die beleediging 2)? Zij hebben
mij hunne bescherming 3) beloofd 4). Hij heeft ons
den vijfden September geschreven ö) Welk antwoord 6)
%ult gij hem geven 1)1 Ik dacht aan hem en aan