Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
gemaakt wordt, dan gebruikt men weêr andere
woordjes :
Ce livre est pour moi.
Je vais avec toi.
Je parle de lui.
Vous parlez d'elle.
Il est fâché contre nous.
Je pense d vous.
Nous parlons d'eux.
Vous irez avec elles,
Dat boek is voor mij.
Ik ga met u.
Ik spreek van hem.
Gij spreekt van haar.
Hij is boos op ons.
Ik denk aan u.
Wij spreken van hen.
Gij zult met haar gaan.
Ook gebruikt men deze laatste woorden als onder-
werp, zoodra zij zonder werkwoord slaan:
Qui parle? Wie spreekt er?
Moi, Ik.
Lui, etc. Hij, enz.
Of als er twee van die woordjes bij elkander het
onderwerp van één woord zijn:
Lui et moi, nous apprenons Hij en ik leeren onze lessen.
nos leçons,
Nog zijn er twee persoonlijke voornaamwoorden,
die op zaken zien, te weten:
en er van of daarvan
y er aan of daaraan.
En komt in de plaats van de cela, en y in plaats
van à cela, bij voorbeeld:
J'en parle. Ik spreek er van.
Tu y penses. Gij denkt er aan.
J'en ai parlé. Ik heb er van gesproken.
Nous y avons pensé. Wij hebben er aan gedacht.
Gij ziet hieruit, dat de woorden y en en ook vóór
de werkwoorden geplaatst worden.