Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
lu me vois, gij ziet mij. \ je te vois, ik zie u.
iu wordt dus te,
il me voü. hij ziet mij. \ je Ie vois, ik zie hem.
il wordt dus Ie,
elle t^ voit, zij ziet u. | (u hvois, gij ziet haar.
elle wordt dus la,
i\ousIevoyOJis, wijzienhem. | ilnousvoü, hijzietons.
nous blijft dus 7ious.
vous la voyez^ gij ziet haar. | elle vous «jo?/, zij ziet u.
vous blijft dus vous,
ils vous voient, zij zien u. | vous\e&voye%^ gij ziet hen.
ils wordt dus les,
eWe^ me voient, zij zien mij. \je les vois^ ik zie haar.
elles wordt dus ook les.
Gij ziet hierin tevens dat die woorden, als voor-
werp gebruikt, vóór het werkwoord staan; maar
wordt het voorwerp door een zelfst. naamw. uitge-
drukt, zoo staat dit achter hel werkwoord.
Vult na het volgende eens in, en plaatst het per-
soonlijke voornaamwoord op de regie plaats;
Je .... appelle^
Vous appelez y
Il appelle,
Nous appelons,
Appelez-vous ?
Elles appellent,
J'entends,
Tu entends.
Voyez-vous?
Voient'ils ?
Ik roep u.
Gij roept hem.
Hij roept ons.
Wij roepen hen.
Roept gij haar?
Zij (vrouwen) roepen mij.
Ik hoor u.
Gij hoort hen.
Ziet gij hem'^
Zien zij u?