Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
182
30.
Emplois du verbe
TENIR.
Tenir quelqu'un par le
bras, par la manche.
Il tient le de' de la com-
pagnie.
Tenez. le voilà qui passe.
Tenir une maison à loyer.
Tout ce qu'il n, il le tient
de votre libéralité.
De qui tenez-vous celai
C'est une nouvelle que je
tiens de bonne part.
/1 lien t beaucoup de son pere,
il en a tous les traits.
Cet événement tient du pro-
dige.
Il y a longtemps que la
fièvre le lient.
Reculez un peu, vous tenez
trop de place.
L'économie tient lieu de
richesse.
Iemand bij den arm, bij
de monw vastbonden.
Hij voert het hoogste woord
in hel gezelschap.
Kijk, daar gaat hij voorbij.
Een huis in huur hebben.
Alles wal bij bezii, heeft
hij aan uwe mildheid
te danken.
Van wien hebt gij dat ver-
nomen?
Dat is een nieuws, dat ik
van goeder hand weet.
Hij gelijkt veel op zijnen
vader , hij heeft al zijne
gelaatstrekken.
Die gebeurtenis gelijkt op
een wonder.
Hij iieeft sedert lang koort-
sen.
Schuif wat om , gij beslaat
te veel plaats.
De spaarzaamheid beslaat
de plaats des rijkdoms.
---.HH'