Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
122
VIER EIV VEERTIGSTE LES.
Oaregelinntïgc wrrkifooi'dca. in AIRE,
ch uiui:.
/
Plaire, behagen; aijant plu, plaisant, plu.
A. Plais, plais, plaît; plaisons, plaisez, plaisent.
B. Plnisais. — C. Plus. — I). Plairai — E. Plairais.
F. Plaise. — G. Plusse. — II. Plais, quil plaise, etc.
Zoo ook vervoegt men: taire, zwijgen; se taire,
slilz«ijgcn, complaire à, believen; déplaire à, mis-
hagen.
De werkwoorden in uire, zoo als: séduire, verlei-
den, enz. worden eveneens vervoegd, iiehalve in G:
je séduisis, ik verleidde, en in het participe passif:
séduit.
Luire, blinken; reluire, glinsteren, en nuire à,
benadielen, hebben in het participe passif: lui,
relui, nui.
Faire, doen of maken; ayant fait, faisant, fait.
A. Fais, fais, fait; faisons, faites, font.
B. Faisais. — C. Fis. — D. Ferai. — E. Ferais.
F Fasse.
G. Fisse. —II. Fais, qu'il fasse, faisons, faites, qu'ils
fassent.
Zoo ook al de zamenslellingen van faire.
Traire, melken; ayant trait, trayant, trait.