Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
112
Vouloir, willen; ayant voulu, voulant, voulu.
A. Veux, veux, veut; voulons, voulez, veulent.
B. Voulais. — C. Voulus. — l). Voudrai. — E. Vou-
drais. F. Veuille, veuilles, veuille; voulions,
vouliez, veuillent.
G. Voulusse. — (Geen Imp.)
Ofschoon dit werkwoord geen impératif kan heb-
ben , zegt men echter veuillez in de beteekenis van
ayez la ttonté: veuillez me tailler cette plume, wees
zoo goed deze pen voor mij te vermaken.
Valoir, waardig zijn, gelden of deugen, ayant,
valu, valant, valu.
A. Vaux, vaux, vaut; valons, valez, valent.
B. Valais. — G. Valus. — 1). Vaudrai. — E. Vaudrais.
F. Vaille, vailles, vaille; valions, valiez, vaillent.
G. Valusse. — H. Vaux, qu'il vaille; valons, valez,
qu'ils vaillent.
Zoo ook vervoegt men : équivaloir, van dezelfde
waarde zijn. Dit werkwoord neemt allijd à na zich.
Ook revaloir quelque chose à quelqu'un, iemand iets
weder vergelden of belaald zetlen , waarvoor men ook
zegt: rendre la pareille à quelqu'un. \)oc,h prévaloir,
de overhand hebben, heelt \n Aen présent du subjonc-
tif : que je prévale, que tu prévales, qu'il prévale;
que nous prévalions, que vous prévaliez, qu'ils pré-
valent. ilel werkwoord se prévaloir de, beteekent:
voordeel trekken uit iets.