Boekgegevens
Titel: De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Deel: 3e stukje
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1856
4e verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4679
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De beginselen der Fransche taal gemakkelijk gemaakt voor jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
101
woorden plaatst men het tweede voornaamwoord
achteraan, b. v.
Imagine-toi,
Qu'il s imagine.
Imaginons-nous,
Imaginez-vous,
Qu'ils s'imaginent.
Verbeeld u.
Laat hij zich verbeelden.
Laten wij ons verbeelden.
Verbeeldt u.
Laten zij zich verbeelden.
Dit heeft echter geene plaats, wanneer het weder-
keerende werkwoord ontkennend gebruikt wordt, b. v.
Ne vous imaginez pas. Verbeeld u niet.
Onder de wederkeerende werkwoorden treffen wij
ook de volgende aan : s'en aller , heen gaan ; s'envoler
wegvliegen; s'enfuir, de vingt nemen. Voor de
zamengestelde tijden dier werkwoorden moet gij wel
opmerken, dat in het eerstgenoemde werkwoord het
woordje en vóór het hulpwerkwoord blijft, terwijl
in de andere dit woordje met het werkwoord steeds
vereenigd is. l)us zegt men:
Je m'en suis allé. Ik ben heen gegaan.
L'oiseau s'est envole'. De vogel is weggevlogen.
Le prisonnier s'est enfui. De gevangene is ontviugt.
Ook vervoegt men den impératif van s'en aller
op de volgende wijze :
Va-t'-en,
Qu'il s'en aille.
Allons-nous en.
Allez-vous en,
Quils s'en aillent.
Ga heen.
Laat hij heengaan.
Laten wij heengaan.
Gaat heen.
Laten zij heengaan.