Boekgegevens
Titel: Zinsontleding: een beknopt leerboekje voor de volksschool
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1881
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3028
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200462
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Ontleding (taalkunde), Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zinsontleding: een beknopt leerboekje voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
ijjdt — Menige scboone bloera verwelkt — Weinig kinderen zjjn
gehoorzaam —Alle planten eroeien — Beide broeders sneuvelden —
Kttelijke schepen vergingen — Sommige leerlingen waren tevreden
— Geheele scharen kwamen om — Enkele soldaten ontkwamen —
Drie kinderen vielen—Één kind verdronk — Honderd mensclien
pikten — Speelden negen leerlingen ? — Tjilpten twaait' musschen
— Stierven alle eerstgeborenen ?
4. Een zelfstandig naamw. met een voorzetsel als bep. v, h. ond.
De liefde tot het vaderland is heilig — Het huis van mijn vriend
viel in — De waard uit de Ster verdronk. — De blos van de roos
verdween — Het gras op het veld verdort — De bloem van de plant
verwelkt — Het zand aan den oever glinstert — De sterren aan het
uitspansel tintelen — De sneeuw van de bergen smelt — De bij uit
den korf stak — De man met den hoed riep — De jongen met den
rok lachte — Riep de vrouw met de eieren?
5. Een zelfst. naanuo. in den 2den naamv. als bep. v. h. ond.
Het ijs der heek barstte — De baren der zee brnischten — De
dauw der velden schittert — De zoon des vaders beminde — De
koning des lands overleed —^ De wetten des lands zijn billijk —
De moed der Polen is groot.— Het paard des boers struikelde —
De heer des huizes groette — De vrouw des timmermans breide —
De brief mijns vaders vertrok — De zoon uwer buurvrouw spotte —
De knecht onzer tante harkte — De meid zijner vriendin dweilde —
De ezel zijns meesters gigauwde — Het paard diens ruiters heeft
gehinnikt — Zal de zoon des vaders gehoorzamen? — Zouden de
takken der boomen breken? — Zal de wreedheid der Russen ge-
straft worden?
6. Een hijwoord als bepaling van het onderwerp.
God hierboven is rechtvaar Jig — De herbergier hiernaast was
dood — De winkelier hierover zal rijk worden — De kelder hier-
onder zal diep zijn — De man daarginder wordt molenaar — De
heer daarboven heet Vroegop.
7. Bijwoorden als bepalingen van het gezegde.
De jongen schrijft schoon — Het meisje leest goed — Hij schrijft