Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
geld, das Geld.
lang geleden, lan'ge her.
geleerd, gelehrt'.
gelegenheid, die Gele'geti-
heit, 5.
geliefkoosd, beliebt'.
gelofte, das Gelüb'de, 2.
geloof, der Glau'be, 4;
op goed geloof, auf Treu
und Glau'ben.
gelooflijk, glaub'lich.
geloofsgenoot, der Glau"-
bensgenoss', 5.
gelooven, glau'ben.
de geloovigen, die Gläu'-
bigen, 5.
het geluid, der Klang, 1*.
geluk, das Glück.
gelukken, gel in'gen.
gelukkig, glück'lich.
gelukskind, das Glücks'-
kind, 3.
gelijk, gleich.
gelijk hebben, Rechf'ha'-
ben.
ons gelijken, un'seresglei'-
chen.
gelijken op {of: naar),
glei'chen (wet datief)-,
ähn'lich se'hen.
gelijkheid,die Gleich'heit,
die Ähn'lichkeit.
gemaakt, gemacht', affek-
tiert'.
gemaaktheid, die Ziererei'.
gemak, die Bequem"lich-
keit', 5.
gemakkelijk, bequem';
leicht.
gematigd, gemä'ssigt.
gemeen, gemein', nie'drig.
het gemeen, der Pö'bel.
gemeente, die Gemein'de,
5.
gemelijk, verdriess'lich.
gemengd, gemischt'.
gemiddeld,
durch"schnitt'lich.
gemis, der Man'gel.
gemoed, das Gemüt', 3.
gemoedelijk, gemüt'lich.
te gemoet gaan, entge"gen
ge'hen (met datief),
gems, die Gem'se, 5.
genaamd, genannt'.
genade, die Gna'de; Gods
genade, die Gna'de
Got'tes.
genadig, gnä'dig.
gendarme, der Gendarm',
5, (spr..- zjan-darm').
geneeskunde, die Heil"-
kun'de.
geneesmiddel, das Heil"-
mit'tel 2; die Arznei'.
genezen, gene'sen; heilen.
het genie, das Genie (spr. :
zje-ni').
de genie, das Genie'korps.
in het geniep, heim'lich.