Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
stän'dig, fort'während.
geel, gelb.
geelzucht, die Gelb'sucht.
geen, kein.
geen een, kein ein'ziger.
geen van beiden, keiner
(keine, keins) von
beiden.
geëngageerd, engagiert'
(spr.: aN-GA-zjiert'),
verlobt'.
geenszins, keineswegs'.
geest, der Geist, 3.
geestdrift, die Begei'ste-
rung.
geestelijk, geist'lich.
de geestelijke, der Geist"-
li'che, 5.
de geestelijkheid,
die Geist"! ichkeit'.
geestig, wit'zig.
geestigheid, der Witz, 1.
geeuwen, gäh'nen.
gefleem, das Geschmei'-
chel.
gefluister, das Geflü'ster.
geforceerd, forciert'.
gegoed, begü'tert, wohl'-
habend.
gegradueerd, graduiert'.
gegrond, gegrün'det.
gehaast, ha'stig, eilig.
gehakt, das Gehack'te
Fleisch.
gehecht, erge'ben, zu'getan
gehechtheid, die Erge'-
benheit, die An"häng'-
lichkeit.
gêheel, ganz; geheel enal,
ganz und gar.
geheim, heim'lich, ge-
heim'.
't geheim, das Geheim'nis,
1.
gehemelte, der Gau'men, 2.
geheugen, das Gedächt'-
nis.
gehoor, das Gehör'.
gehoorzaam, gehor'sam.
gehoorzaamheid, der Ge-
hor'sam.
gehoorzamen, gehor'chen.
gehuwd, verhei"ra'tet.
geit, die Zie'ge, 5; die
Gei'sse, 5.
gek, toll; när'risch.
de gek, der Narr, 5; der
'Tor, 5.
gekheid, die Tor'heit, 5;
{flg.) der Un'sinn.
gelaat, das Gesicht', 3;
das Ant'litz, 1.
gelaatskleur, die Ge-
sichts"far'be.
gelaatstrekken, die Zü'ge.
gelach, das Geläch'ter.
gelag, das Gelag', 1; die
Ze'che, 5; het gelach
betalen, die Ze'che be-
zah'len.