Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
fr
64
domkop,
der Dumm'kopf. 1*.
dommekracht,
die Winde, 5.
dompertje, das Lösch'-
horn," 3*. das Lösch"-
hüt'chen, 2.
donder, der Don'ner.
donderbui, das Gewit'ter.
Donderdag, der Don"ners-
tag'.
donderen, don'nern.
donderslag, der Don"ner-
schlag', 1*.
donker, dun'kel, fin'ster.
dons, der Flaum.
donszacht, flaum'weich.
dood zijn, tot sein.
de dood, der Tod.
een doode, ein To'ter.
doodelijk, töt'lich.
dooden, tö'ten.
de dooden, die To'ten.
doodgraver, der To"ten-
grii'ber, 2.
doodkist, der Sarg, 1*.
doodstil, mau"sestill,
miius'chenstill.
doodstraf, die To"desstra'-
fe.
doof, taub.
doofpot,
der Koh"lendamp'fer,
2.
doofstom, taub'stumm.
dooien, tau'en.
dooier, das Ei"dot'ter, 2.
dooiweder, das Tau"wet'-
ter.
doolhof, der Irr'gang, 1*.
das Labyrinth', L
de doop, die Tau'fe, 5.
doopen, taufen.
dooper, der Tau'fer, 2;
Johannes de Dooper,
Johan'nes der Tau'fer.
doopnaam, der Tauf'na'-
me, 4.
doopvont, der Taufstein,
1, das Tauf'bec'ken, 2.
een door. Zie dooier,
doorboren, durchboh'ren.
doorbrengen, 1. zü"brin'-
gen, verbrin"gen (die
Zeit). 2. durch"brin'-
gen (sein Vermö'gen).
doorbrenger, der Ver-
schwen'der, 2.
door- t durch"drin'gen;
dringen, (durchdrin'gen.
doorgaans, durch"ge'-
hends, durch'gän"gig.
doorkneed in, bewan'dert
in, erfah'ren.
doorluchtig, durchlaueh'-
tig.
doorn, der Dorn, ö* en 4.
doornat, durchnass.
doorregen spek, durch-
wach'sener Speek.