Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
63
distilleerder, der Destil-
lie'rer, 2.
distilleeren, destillie'ren.
dito, dito.
dividend, die Dividen'de,
5.
dobbelaar, der Wür"fel-
spie'ler, 2,der Würf'ler,
2 ; (fig.) der Spie']er,2.
dobhelarij, das Wür"fel-
spier;(^g.)dasSpiel,l.
dobbelheker, der Wür"fel-
be'cher.
dobbelen, wür'feln; (fig.)
spielen.
dobbelhuis,dasSpieVhaus,
3*.
dobbelspel, das Wür'Tel-
spiel'.
dobbelsteen, der Wür'fel,2.
doceeren, docie'ren.
docent, der Leh'rer, 2.
doch, doch.
dochter, die Toch'ter, 2*.
doctor, der Dok'tor, 4,
(mrv.: -to'ren).
doctoraat, das Doktorat'.
document, das Dokument',
1.
doedelzak, der Du"del-
sack', 1*.
doel, das Ziel, 1.
doelloos, ifig.) un'nütz.
doelmatig, zweck"mä'ssig.
doen, tun.
de doeniet,
der Faulen'zer, 2.
doenlijk, tun'lich.
dof, (van geluiden:)
dumpf; (anders:) dun'-
kel.
de doffer, der Tau'ber, 2.
der Tau'ber, 2.
een dog, der und die
Dog'ge, 5.
dokter, der Arzt, 1*.
dol, toll.
doldriftig, jah"zor'nig.
dolk, der Dolch, 1.
een dolle hond, ein tol'-
ler Hund", 1.
dollekervel, der Schier'-"
ling.
de dolleman, der Toll'-
kopf, 1*.
dollen, spa'ssen, scher'zen.
dom, dumm.
de dom, der Dom, 1.
domheid, die Dumm'-
heit, 5.
dominee, der Pa'stor, 4;
(mrv.: -to'ren.); der
Pfar'rer, 2.
het domino, der Do'mino.
domino-spel, das Do"mino'
spiel'.
domino spelen, Do"mino
spie'len.
domkerk, die Dom"kir'-
che, 5.