Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
destijds, da'mals.
deugd, die Tu'gend, 5.
deugdzaam, tu"gendhaft.
deugen, tau'gen,
deugniet, der Tau"ge-
nichts'.
deuk, die Verlet'zung, 5.
deur, die Tür 5 ; blinde
deur, die blin'de Tür.
devies, der Wahl'sprucb,
1*.
diamant, der Diamant', 5.
diamantslijper, der Dia-
mant"schlei'fer, 2.
diarrhee, die Diarrhöe', 5.
dicht, dicht; zu.
dichtbij, dichtbei'.
de dichter, der Dich'ter, 2.
dichterlijk, dich"terisch'.
dichtkunde, die Dicht'-
kunst.
in dichtmaat, in Ver'sen.
dicteeren, dictie'ren.
dieet, dio Diiit'.
dief, der Dieb, 1.
diefachtig, die'bisch.
diefsial,der Dieb'stahl, 1*.
dienaangaande, in Betreff'
des'sen.
dienaar, der Die'ner, 2.
dienares, die Die"nerin', 5.
diender, der Polizei"die'-
ner, 2.
dienen, die'nen.
dienst, der Dienst, 1.
dienstig voor, dien'lich zu.
diep, tief.
diepte, die Tie'fe, 5.
diepzinnig, tief'sin'nig.
het dier, das Tier, 1.
dierbaar, teu'er.
Dierenriem, der Tier"-
kreis.
het dierenrijk, das Tier'-
reich.
diergaarde, der Tier"gar'-
ten, 2*.
dievegge, die Die'bin, 5.
dieverij, die Dieberei', 5.
dik, dick.
dikte, die Dic'ke.
dikwijls, raanch'mal, öf-
ters, oft.
diligence, der Posf'wa'-
gen, 2.
ding, das Ding, 1, 2.
dingen, feil'schen.
Dinsdag, der Diens'tag, 1.
diplomaat, der Diplomat',
5.
diplomatie, die Diploma-
tie'.
diplomatisch, diploma'-
tisch.
disconteeren, diskontie'-
ren.
disconto, der Diskon'to.
discreet, beschei'den.
dispuut, der Streit, 1.
distel, die Di'stel, 5.