Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
confrater, der Mif'bru'-
der, 2*.
constitutioneel, konstitu-
tionell'.
consul, der Kon'sul.
consMZaa(, das Konsulat',1.
consult, die Konsulta-
tion', 5.
consulteeren, konsultie'-
ren.
consument,
der Konsument', 5.
contractant, der Kontra-
hent', 5.
contrari'éeren, (tegenwer-
ken :) zuwi'der sein ;
(tegenspreken ;) wider-
spre'chen.
controleeren, kontrollie'-
ren.
conveni'éeren, konvenie'-
ren.
coquet, gefair'süch'tig.
coquetteeren, kokettie'ren.
corres-pondeeren, korres-
pondie'ren.
acosti, aCosti,bei Ih'nen.
coupeur, der Zu"schnei'-
der, 2.
courant, lau'fend; dml2en
courant, am Zwölften
des lau'fenden Mo'na-
tes.
eene courant, eine Zei'-
tung, 5.
couvert, das Kuvert', 1.
crediteeren, kreditie'ren.
crediteur, der Kre'ditor, 5.
creeeren, schaffen.
crimineel, kriminal'.
cursief gedrukt, in Kursiv'-
schrift'.
cijfer, die Ziffer, 5.
cijferen, Ziffern.
cijnsbaar, zins'bar.
daad, die Tat, 5.
daags, viermaal daags,
tiig'lich vier Mal'.
(mijne) daagsche kleeren,
(mei'ne) AlFtagsklei'-
der, 3.
daar, da.
dadelboom, der Daf'tel-
baum', 1*.
dadelijk, gleich, augen-
blick'lich.
dader, der Tä'ter, 2.
dag, der Tag, 1.
dagblad, das Ta"geblatt',
3*; die Zei'tung, 5.
dagboek, das Ta"gebuch,
3*.
dagelijks(ch), täg'lich.
dageraad, der 'ra"gesan'-
bruch, 1*.
daglicht, das Ta"geslicht'.
dagvaarden, vor"la'den.
eene dagvaarding, eine
Vor"la'dung, 5.