Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
bezoeken, besu'chen.
bezoldigd, besol'det.
bezoldiging, die Besol'-
dung, 5.
bezuiniging, die Espa'-
rung, 5; das Erspar'-
nis, 1.
bezwaarlijk, schwer'lich.
bezweet zijn, beschwitzt'
sein.
bezwijken, erlie'gen.
bezwijming, die Ohn'-
macht. [vor.
bibberen van, schau'ern
bibliotheek, die Biblio-
thek', 5.
bidden, be'ten.
biecht, die Beich'te, 5.
biechten, beich'ten.
bieden, bie'ten.
bier, das Bier, 1.
bierhuis, das Bier'hau8,3*.
biljarten, Billard" spie'-
ien.
biljart-tafel, das Billard',
1. {spr.: biel-jard').
billijk, red'lich.
billijkheid, die Red"lich-
keit'.
bindgaren, der Bind"fa'-
den, 2*.
binnenkoorts,
das Schleich"fie'ber, 2.
binnenkort, in Kur'zem.
binnenland, das In'nere
des Landes, das Bin"-
nenland', 3*.
binnensmonds,
zwi'schen den Zäh"nen.
binnenstijds, un"zei'tig.
biographic,
die Biographie', 5.
bit {van een paard),
das Gebiss', 1.
bitter, bit'ter.
bitterkoekje, die Makro'-
ne, 5.
een bittertje, ein Bit'ter-
chen.
blaam, der Ta'del.
blaar, die Blat'ter, 5.
blaas, die Bla'se, 5.
blad, das Blatt, 3*.
blaffen, bel'len.
blaken, glü'hen.
blaker, der Hand'leuch-
ter, 2.
in blanco, in blanco.
blank, rein, blank.
met de blanke sabel, mit
entblöss'tem Säbel.
blaten, blö'ken.
blauw, blau.
blazen, bla'sen.
bleek, bleich.
bleekveld, die Blei'che, 5.
het blik, das Blech, 1.
de blik, der Bliek, 1.
bliksem, der Blitz.
blind, blind.