Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
hel, die Klin'gel, 5.
helachelijk, lä'cherlich.
belang,
das In'teres"se, 5.
belangeloos, (onbaatzuch-
tig:) un"eigennüt'zig;
(^onpartijdig:) un"par-
tei'isch.
belasteren, verleum'den.
beleedigen, belei'digen.
beleediging,
die Belei'diguiig, 5.
beleefd, höflich.
heieenen, verpfän'den.
belet, die Verhin'derung,
5; belet geven, sich
verleuch'nen lassen,
keine Besu'che an"-
neh'nien; belet vragen,
sich an'melden; sich
ein'laden; belet hebben,
beschäftigt sein, nicht
zu spre'chen sein.
beletsel,
die Verhin'derung, 5.
beletten, verhin'dern.
belhamel, der Leif'ham'-
mel, 2*; (^fig.) der Rä"-
delsfüh'rer, 2.
bellen, klin'geln.
die Verspre'-
chung, 5.
das Verspre'-
chen, 2.
beloonen, beloh'nen.
belofte,
helooning,
die Beloh'nung, 5.
beloven, verspre'chen.
bemanning {van een schip),
die Beman'nung, 5.
bemiddeld, wohl"ha'bend.
bemiddeling,
die Vermit'telung, 5.
beminnelijk,
lie"benswür'dig.
beminnen, lie'ben.
bemoedigend,
ermu'tigend.
zich bemoeien met, sich
beküm'mern urn; sich
mi'schen in; sich ein"-
las'sen in.
benadeelen, scha'den.
bende, die Ban'de, 5.
beneden, un'ten.
ik ben benieuwd of, es
soll mich wun'dernob;
es verlangt' mich zu
wis'sen ob.
benijden, benei'den.
beoordeelen, beur"tei'len.
bepaald, bestimmt'.
beperkt, beschränkt'.
bepraten, überre'den.
beproefd, erprobt'.
beproeving, diePro'be, 5;
{fig.) dieErfah'rung, 5.
beramen, überle'gen.
beredderen,
ins Rei'ne brin'gen.