Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
bediende, der Bedien'te, 5.
bediening,die Bedie'nung,
ö.
bedoeling, {oogmerk:) die
Ab'sicht, 5
bedrag, der Betrag', 1*.
bedragen, betra'gen.
bedreigingen, Bedro'hun-
gen, 5.
bedriegen, betrü'gen.
bedrieglijk, betrü'gerisch.
bedrog, der Betrug'.
bedrogen, betro'gen.
bedrukt, mut'los.
bedrijven, bege'hen, ver-
ü'ben.
bedrijvig, tä'tig.
bedrijvigheid, die Tä"tig-
keit'.
beducht voor, besorgt' für.
beduchtheid, die Besorg'-
nis, 1.
bedwang, der Zaum.
bedwelmende dranken,
berau"schende Ge-
trän'ke, 1.
beledigd, verei'det.
beek, der Bach, 1*.
beeld, das Bild, 3.
beeldende kunsten,
die BirdendeKün"ste,
1*.
beelderig, bild'schön.
beeldhouwer,
der Bild"hau'er, 2.
beeldspraak, die bild"-
rei'che Spra"che.
beeltenis, das Bild'nis, 1.
been, 1) der Kno'chen,
2) das Bein; 1) been-
deren, die Kno'chen;
2) beenen, die Bei'ne.
beer, der Bär, 5; (varken:)
der E'ber, 2 ; (schuld:)
die Schuld, b\(schuld-
eischer:) der Glä u' biger,
2.
beest, das Tier, 1; (in 't
biljarten:) der Glücks'-
stoss, 1*.
beestachtig, tie'risch; (fig.)
schänd'lich.
beet, der Biss, 1.
een beetje, ein Biss'chen.
begaafd, begabt'.
begaafdheid,dsLS Talent',1.
begaan, bege'hen; verü'-
ben.
begaanbaar, gang'bar,
fahr'bar.
begeeren, begeh'ren.
begeerig, begie'rig.
begeerte, die Begier'de, 5.
het begin, der An'fang, 1*.
beginnen, an"fan'gen.
beginner, der An"fän'ger,
2.
beginsel, (aanvang:) der
An'fang, 1*; (stelregel:)
der Grund'satz, 1*.