Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
w
30
Onbepaalde
\v ij s.
O n V O 11. verl. t ij d.
der
Aantoon. Aanvoeg,
wijs. wijs.
V e r 1 e d e n
deelwoord.
schwimmen, zwemmen ; ^schwamm,
schwinden, verdwijnen, schwand,
schwingen, zwaaien. schwang.
zweren (een ^^d^schwur.
sehen, zien. sah.
sein. zijn. war.
senden, zenden. "^sandte,
^sieden, zieden, koken, sott,
singen, zingen. sang,
sinken, zinken. sank,
sinnen, zinnen, peinzen, '^sann.
sitzen, zitten. sass.
sollen, zullen, (moeten). *
speien, spuwen. spie.
spinnen, spinnen. ''^spann.
spleissen, splijten. spliss.
sprechen, spreken. sprach,
spriessen, sprinten. spross.
springen, springen. sprang,
stechen, steken. stach,
stehen, staan. stand,
stehlen, stelen, stahl,
steigen, stijgen. stieg,
sterben, sterven. starb.
stieben, verstuiven. stob,
stinken^ stinken. stank,
st ossen, stooten. stiess.
streichen, strijlien. strich,
streiten, strijilen. stritt,
tun, doen. tat.
tragen, dragen. trug,
trejf'en. treffen, traf,
treiben, drijven. trieb,
treten, treden. trat,
"^triefen, druipen. trof.
trinken, drinken. trank.
schwämme
schwände.
schwänge.
schn-ilre.
sähe.
wäre.
sendete.
sötte.
sänge.
sänke.
sonne.
sässe.
sollte.
spiee.
spönne.
splisse.
spräche.
sprösse.
spränge.
stäche.
stände.
stähle.
stiege.
stärbe
\stilrhe.)
stöbe.
stänke.
stiesse.
striche.
stritte.
täte.
trüge.
träfe.
triebe.
träte.
tröffe.
tränke.
geschwommen.
geschwunden.
geschwungen.
geschworen.
gesehen.
gewesen.
gesandt,
gesotten.
gesungen,
gesunken.
gesonnen.
gesessen.
*
gespieen,
gesponnen.
gesplissen,
gesprochen.
gesprossen.
gesprungen,
gestochen.
gestanden.
gestohlen.
gestiegen.
gestorben.
gestoben.
gestunken,
gestossen.
gestrichen.
gestritten.
getan.
getragen.
getrofen,
getrieben,
getreten.
getroffen.
getrunken.