Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
Onvolt. verl. tijd
Onbepaalde der Verleden
wijs. Aantoon. Aanvoeg, deelwoord,
wijs. wijs.
ringen, worstelen. rang.
rin»en, loopen, lekken, rann.
rufen, roepen. rief,
saufen, zuipen. soff,
saugen, zuigen. sog.
Schafen, scheppen (in schuf,
het aanzijn roepen).
schallen, galmen.
scheiden, scheiden.
scheinen, schijnen.
schelten, scheiden.
scheren, scheren.
schieben, schuiven.
schiessen, schieten.
schinden, villen.
schlafen, slapen,
schlagen, slaan.
schleichen, sluipen.
schleifen, slijpen.
schleissen, splijten, kloo- schliss.
schliefen, glippen, (ven. schloff',
schliessen, sluiten. schloss.
schlingen, slingeren. schlang,
schrneissen, smijten.
^schmelzen, smelten.
schneiden, snijden.
schnieben, snuiven (door schnob.
den neus blazen). »Schnieben"
bezigt men thans het zwakke w
schraubten, schroeven. schrob,
schreiben, schrijven. schrieb,
schreien, schreeuwen, schrie,
schreiten, schrijden. schritt,
schwären, zwereu(etteren)5CÄ/iro;'.
schweigen, zwijgen. schwieg,
schwellen, zwellen. schwoll.
scholl,
schied.
schien,
schalt.
schor.
schob.
schoss.
schund,
schlief.
schlug.
schlich.
schlif.
schraiss,
schmolz,
schnitt.
ränge.
* rönne,
(ranne.)
riefe,
söffe,
söge,
schüfe.
gerungen,
geronnen.
gerufen,
ges foen.
gesogen,
geschahen.
schölle, geschollen,
schiede. geschieden,
schiene. geschienen,
schälte. gescholten,
schöre. geschoren,
schöbe. geschoben,
schösse, geschossen,
schiindè. geschunden,
schliefe. gesch la fen.
schlüge, geschlagen,
schliche, geschlichen,
schliffe. geschliffen,
schlisse. geschlissen,
schlöffe. geschloffen,
schlösse. geschlossen,
schlänge, geschlungen,
schmisse. gesehnt issen,
schmölze, geschmolzen,
schnitte, geschnitten,
schnöbe. geschnoben.
is verouderd. Hiervoor
w, »schnauben."
schröbe, geschroben,
schriebe, geschrieben,
schriee. geschrieen,
sch ritte. gesch ritten.
schwöre, geschworen,
schwiege, geschwiegen,
schwölle, geschwollen.