Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'246
ziekbed, das Kran"ken-
bett, 1, das Siech'bett,
1.
ziekelijk, krank'lich.
ziekenhuis, das Hospital',
3*, das Spital', 3».
ziekenkamer, das Kran"-
kenzimmer, 1.
ziekte, die Krank'heit, 5.
ziektestof, der Krank"-
heitsstoff', 1.
ziel, die Seele, 5.
zielenadel, der See"len-
a'del.
zielental, die See"lenzahr.
zielkunde, dieSee"lenleh'-
re.
zielroerend, see"lener-
schüt'ternd.
zielsveel, un"sag'lich viel.
zieltogen, in den letz'ten
Zü"gen lie'gen.
zieltogend, ster'bend.
zien, se'hen.
ziende, se'hend.
ziener, der Se'her, 2.
ziften, sie'ben, sich'ten.
zilt, sal'zig.
zilver, das Sil'ber.
zilversmid,
der Sirberschniied', 1.
zilverwerk, die Sil"berar'-
beit; {tafelzilver:) das
Sil"bergerat', das Sil"-
bergeschirr'.
zin, der Sinn ; {fig.) die
Lust, der Gefal'len,
zindelijk, rein'lich, sau'-
ber.
zingen, sin'gen.
zink, der Zink.
zinken, {van zink:) zin'-
ken ; {werkwoord sin'-
ken, un"terge'hen,
zinking, der Fluss,
zinkingkoorts,
das Fluss"lie'ber.
zinksel, der Bo"densatz'.
zinledig, un"bedeu'tend,
zinnebeeld, das Sinn'bild,
3.
zinnebeeldig, sinn"bild'-
lich,
zinneloos, sinn'los.
zinnelijk, {stoffelijk:)
materieir; {zingenot
minnend:) sinn'lich.
zinnen, sin'nen.
van zins zijn, beab"sich'-
tigen.
zinsbedrog,
die Sin"nentau'schung.
zitdag, der Sif'zungstag',
zitplaats, der Sitz, 1.
zitten, sit'zen.
zitting, {van een stoel;)
der Sitz, 1; {vergade-
ring :) die Sit'zung, 5).
i zode, der Ra'sen, 2, (1*).