Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'245
zelfverloochening, die '
Selbsf'verleug'nung.
zelfverwijt, die Selbsf'an'-
klage, 5: der Gewis"-
sensvor'wurf, 1*.
zelfvoldoening, die Selbst"-
befrie'digung.
zelfzucht,die Selbst'sucht;
der Egois'mus.
zelfzuchtig, selbsf'süch'- :
tig; egoi'stisch.
zemelen, die Kiei'e.
zendbrief, das Send"-
schrei'ben, 2 ; (bij-
belsch :) die Epi'stel, 5.
zendeling, der Missionär',
1.
zenden, sen'den, schik'-
ken.
zending, die Sendung, 5,
zenebladeren, (seneblade-
ren) die Sen"nesblät'-
ter.
zengen, sen'gen.
zenig, seh'nig.
zenith, der Ze'nith, der
Sehei"telpunkt'.
zenmo, die Seh'ne, 5, der
Nerv, 5.
de zenuwen, die Ner'ven.
zenuwachtig, nervös'.
zenuwtoeval, der Ner"ven-
an'fali, 1*
zerk, der Lei'chenstein,
1, der Grab'stein, 1.
zes, sechs.
zesde, sech'ste.
zestien, sech'zehn.
zestiende, sech"zehn'te.
zestig, sech'zig.
zestigste, sech'zigste.
zet, (op dam- of schaak-
hord:) der Zug, 1*;
{steek onder water:) der
Stich, 1.
zetel, der Sitz.
zetelen, {wonen:) woh'nen ;
{tronen:) thro'nen.
zetten, set'zen.
zetter, (letterzetter ;)
der Set'zer, 2.
zeven, {door eene zeef laten
loopen:) sie'ben.
zeven, {getal:) sie'ben.
zevende, sie'bente.
zeventien, sieb'zehn.
zeventiende, sieb"zehn'te.
zeventig, sieb'zig.
zeventigste, sieb"zig'ste.
zich, sich.
zicht, die Si'chel, 2.
op zicht, zur Besich'ti-
gung; {van wissels:)
auf Sicht.
na zicht, nach Sicht.
zichtbaar, sicht'bar.
ziedaar, sie'h(e) da!
zieden, sie'den.
ziehier, sieh' hier!
ziek, krank.