Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
241
Wijzen, zei gen.
wijzer, {op uurwerken:)
der Zei'ger, 2,
wijzerplaat,
das Zifferblatt', 3*.
loijzigen, ab"än'dern.
wijziging,
die Ab"än'derung, 5.
ijdel, ei'tel.
ijdelheid, die Ei'telkeit.
ijken, ei'chen.
ijker, der Ei'cher.
ijl, {ledig:) leer; {dunC)
dünn, hohl.
ijlen, {snellen:) ei'len ; {in
de koorts:) ir"re re'den.
ijlhoofdig, wa]m"sin'nig.
ijlings, ei'lends.
ijmker, {imker),
der Bie"nenzüch'ter, 2.
ijpeboom, der UT'men-
baum', 1*, die Ulnae, 5.
ijpenhout,
das Ur'menholz'.
ijs, das Eis.
ijsbeer, der Eis'bar, 5.
ijselijk, schreck'lich, ent-
setz'lich.
ijsgang, der Eis'gang, 1*,
der Eiö'brueh, 1*.
ijskoud, eis'kalt.
ijsschots, die Eis"schorie,
5.
ijswater, das Eis"was'ser.
ijszee, das Eis'meer.
ijver, der Ei'fer.
ijveren, ei'fern.
ijverig, ei'frig.
ijverzucht,
die Ei"fersucht'.
ijverzuchtig,
ei"fersüch'tig.
ijzel, die Grau'peln; das
■ Glatt'eis.
ijzelen, grau'pehi.
ijzen van, schau'dern vor.
ijzer, das Ei'sen.
ijzersterk, ei"senfest'.
ijzervnnkel,
der Ei"senla'den, 2*.
ijzig, schau"derhaft'.
ijzing, der Schau'der.
ijzingwekkemd, schau'der-
haft, furcht'bar.
zaad, der Sa'me, 4.
zaadhuisje, das Sa"men-
gehäu'se, 2.
zaag, die Sä'ge, 5.
zaagsel, das Sä"gemehr.
zaaien, sä'en.
zaaier, der Sä'eniann, 3*,
der Sä'er, 2.
zaaisel, die Saat, 1.
zaak, {ding:) die Sa'che ;
{beroep:) das Geschäft',
1 ; {aangelegenheid:)
die An'gele'genheit, 5,
der Prozess', 1.
16