Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'232
de weetniet, der Dumm'-
kopf; der Nichts"wis'-
ser.
weg, fort.
de weg, der Weg, 1.
wegdoen, weg'tun.
wegdragen, weg"tra'gen.
wegduwen, weg"schie'ben.
wegens, we'gen.
weger, der XVa'ger, 2.
weggeld, das We"gegeld',
3.
weggeven, weg"ge'ben.
weggooien, weg"wer'fen,
weghouden voor,
verber'gen vor.
wegjagen, weg'ja'gen.
tregkruipen, sich verstek'-
ken.
wegkruipertje spelen, Ver-
stec'kens spie'len;
Fuchs im Loch spie'-
len.
wegkwijnen, hin"schwin'-
'den, dahin"ster'ben:
{van verdriet:) sich ab"-
här'men; {vanplanten:)
verkom'men.
wegloopen, weg'lau'fen.
wegnemen, weg"neh'men.
wegritimen,
weg rau men.
wegruiming, die Weg"-
riiu'mung; das Ab"-
räu'raen.
wegrukken, (fig.) weg"-
rei'ssen.
wegschenken, weg"schen'-
ken.
ivegsch uilen, sich verstek'-
ken.
wegsleepend, hin"rei'ssend
{fig.) entzüc'kend.
wegsluipen, weg"schlei-
chen.
wegsmelten, weg"schmer-
zen.
wegsmijten, weg"schmei'-
ssen.
zich wegspoeden, forf'ei'-
len, sich weg"pac'ken.
wegspoelen, weg°'spü'len.
wegsterven, weg"ster'ben;
{fig.) verhal'len.
wegstoppen, verstec'ken.
wegsturen, weg"schic'ken.
icegvegen, {met bezem:)
weg"fe'gen; {andei^s :)
weg"wi'schen.
wegvliegen, weg"fiie'gen.
wegwaaien, weg"we'hen.
wegivasschen, weg"wa'-
schen.
wegwerpen, weg"wer'fen.
icegwillen, fort wol'len.
'wegu:isschen,
weg"wi'schen.
wegiüijzer, {man:)
der Füh'rer, 2.
wegzenden, weg"sen'den.