Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'223
ger, 2; der Beförderer,
2.
voorstel, der Vor'schlag,
1*.
voorstellen, vor"schla'gen;
vor"sterien.
voorstelling, die Vor"steI-
lung.
voorstemmen,
stim'men für.
voort, {u-eg, heen:) fort.
voortaan, künftighin'.
voortbrengen, erzeu'gen,
hervor"brin'gen.
voortbrengsel,
das Produkt', 1.
voortdrijven,
forf'trei'ben.
voortduren, forf'dau'ern,
an"hal'ten.
voortdurend,
forf'wäh'rend.
voorteeken, das Vor"zei'-
chen, 2; das Anzei'-
chen, 2.
voortellen, vor"zäh'Ien.
voortgaan, forfge'hen.
voortgang, der Fort'gang;
{vooruitgang:) der
Fort'schritt, 1.
voorthelpen, hel'fen, be-
hülf'lich sein.
voortmaken, forf'ma'chen;
zieh voortmaken, sich
forf'ma'chen.
voortplanten,
forf'pflan'zen.
voortplanting, die Fort"-
pflan'zung, 5.
voortreffelijk, vortrefflich.
voorts, Nvei'ter.
voortspruiten uit, hervor"-
ge'hen aus; {fig.) fol'-
gen aus.
voortstuwende kracht, die
Beweg'kraft.
voorttelen, fort"pflan'zen.
voortteling,
die Forf'päan'zung.
voortvarend,
ha'stig, ei'lig.
voortvloeien.
Zie voortspruiten,
voortvluchtig, flüch'tig.
vooruit, {te voren:) im
voraus'; {voorwaarts:)
vor'wärts.
vooruitgaan,
forf'schrei'ten.
vooruitgang,
der Fort'schritt, 1.
ï;oorMii2ic/i«,dieAus'sicht,
5.
voorval, das Ereig'nis, 1.
voorvallen,
sich ereig'nen.
voorvechter, der Vor"fech'-
ter, 2; {fig.) der Ver-
tei'diger, 2.
voorwaar, fürwahr'.