Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
222
voornamelijk,
haupf'sach'lich.
voornemen, das Vor"neh'-
men, 2, die Ab'sicht, 5.
zich voornemen,
sich vor"neh'men.
voornemens zijn,
die Ab'sicht ha'ben.
voornoemd, besagt'.
verondersteld,
voraus"ge8etzt'.
vooronderstellen,
voraus"set'zen.
vooronderstelling,
die Voraus"set'zung, 5.
vooroordeel,
das Vor"ur'teil, 1.
voo7'ouders, die Ah'nen.
voorover, vorn'ü'ber, vor'-
warts.
voorpoot, der Vor"derfuss',
vooiraad, der Vor'rat, 1*.
voorrang, der Vor'rang.
voorrecht, das Vor'recht,
1.
voorrede, die Vor"re'de, 5,
der Vor"bericht', 1.
voorrijder, der Vor"rei'ter,
2.
voorschieten,
vor"schie'ssen.
voorschoenen,
Yor"schu'hen.
voorschoot, die Schür'ze, 5.
voorschot, der Vor'schuss,
voorschrift, die
Vor'schrift, 5.
voorschrijven, vor"schrei'-
ben; {een recept:) ver-
schrei'ben.
te voorschijn brengen, zum
Vor'schein brin'gen; te
voorschijn komen, zum
Vor'schein kom'men.
voorslaan, vor"schla'gen.
voorslag, der Vor'schlag,
1*
voorsmaak, der Vor"ge-
schmack'.
voorsnijden,
vor"schnei'den.
voorsnijder,
der Vor"schnei'der, 2.
voorsnijmes, das Tran-
chier"mes'ser, 2.
voorspel,
das Vor'spiel, 1.
voorspellen, prophezei'en.
voorspelling,
die Prophezei'ung, 5.
voorspiegelen,
vor"spie'geln.
voorspoed, das Glück.
voorspoedig, glück'lich.
voorspraak, die Vor"spra'-
che, 5, {persoon'^ der
Für"spre'cher, 2.
voorsiarider, der Anhan'-