Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
214
verzoehlng^ die Versu'-
chung, 5.
in verzoeking brengen, in
Versu'chung brin'gen.
groote verzoendag, der
VersÖh"nungstag', 1.
verzoenen, versÖh'nen.
■verzoening, die VersÖh'-
nung.
verzolen, versoh'len.
verzonken in gepeins, in
Gedan'ken versun'ken.
verzorgd, versorgt'.
verzorgen, versor'gen.
■verzot op, verses'sen auf;
vernarrt' sein in.
■verzuim, das Versäum'nis,
1.
■verzuimen, versäu'men,
vernach"läs'sig6n.
verzuren, versau'ern.
■verzwakken, schwä'chen.
verzwaren, erschwe'ren.
verzweigen, verschlin'gen.
■verzwijgen voor,
verschwei'gen (met da-
tief).
vesper, die Ves'per, 5.
■vest, die We'ste, 5.
vestibule, der Haus'fiur,
das Vestibül'.
■vestigen, rich'ten, len'-
ken; (eene kolonie, een
grenskantoor, enz.:)
grün'den, errich'ten.
zieh vestigen, sich etablie'-
ren; zieh ergens vestigen,
sich ir'gendwo' nie"-
derlas'sen.
vestiging, die Nie"derlas'-
sung, 5.
vesting, die Fe'stung, 5.
vestingbouwkunde, die
Fe"stungsbau'kunst.
vestingbouwkundige, der
Kriegs"bau"mei'ster, 2,
der Ingenieur', 1.
vestingwerken,
die Fe"stungswer'ke.
vet, (niet mager;) fett.
vet, (smeer:) das Fett.
veter, das Schnür'band,
3*; die Nestel, 5.
veteraan, der Veteran', 5.
vetkaars, das Talg'licht,
3.
vetleer, das Fetf'le'der.
vettig, fet'tig.
vezel, die Fa'ser, 5.
vezelig, fa'serig.
vicaris, der Vikar', 1.
victorie, die Vikto'ria, der
Sieg, 1.
vier, vier.
vierde, vier'te.
vieren, fei'ern.
vierendeelen, viGr"tei'len.
viering, die Fei'er.
vierkant, vier"ec'kiL'',
vier"sei'tig.